Introductie

 

 

 

 

 

 

 

 

Je
hebt een of meer datacenters in eigen beheer of je hebt je eigen infrastructuur
ondergebracht in een extern datacenter. Je hebt te maken met aflopende
contracten of met verouderde hardware. Een goed moment om de
datacenterstrategie herzien.

We Will Write a Custom Essay Specifically
For You For Only $13.90/page!


order now

 

Cloud
zou hierbij (een deel van) de oplossing kunnen zijn. Echter, een eventuele
transitie naar de cloud kan meerdere jaren in beslag nemen en bovendien sluit
cloud het hebben van een eigen datacenter zeker niet uit. Dus, los van de
eventuele cloudambities kunnen er allerlei redenen zijn om op korte termijn te
investeren in een eigen datacenterinfrastructuur, namelijk:

 

§   
Er komen projecten aan die om capaciteit vragen,
maar de capaciteit van de infrastructuur is volledig benut;

 

§   
De performance van je
huidige infrastructuur is onvoldoende;

 

§   
De leverancier kondigt end-of-life of end-of – support aan;

 

§   
De gebruikte rackspace is
te groot en de kosten van het datacenter zijn te hoog.

 

Als
je nu (2018) zou moeten kiezen voor een nieuwe datacenterinfrastructuur, kun je
naast de traditionele infrastructuur op basis van servers, een Storage Area Network en een Storage Array, ook kiezen voor een converged, hyper-converged of composable
infrastructuur.

 

Wij
krijgen regelmatig vragen van partners om mee te denken over de kant die men op
zou moeten bij de keuze voor een nieuwe infrastructuur. Dit whitepaper biedt onze
partners inzichten om het maken van die keuze en het omgaan met de uitdagingen
die daarbij spelen makkelijker te maken.

 

 

 

 

 

 

 

 

Leeswijzer

 

In
hoofdstuk 2 wordt toegelicht wat de verschillende oplossingen inhouden en wat
de onderlinge verschillen zijn. Hoofdstuk 3 geeft de toepassing van de
verschillende oplossingen en hoofdstuk 4 helpt bij het kiezen voor de juiste
oplossing. Tot slot staan in hoofdstuk 5 enkele uitdagingen die belangrijk
kunnen zijn bij de uiteindelijke keuze.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                                               

2. Welke opties zijn er?

 

 

 

 

 

 

 

 

Traditionele
infrastructuur

 

In
de traditionele aanpak zou je servers en een SAN kopen en dus zelf je
infrastructuur samenstellen met oplossingen van verschillende leveranciers.
Elke laag heeft daarbij eigen managementsoftware. Dit wordt ook wel de best of
breed infrastructuur genoemd. Je kiest immers voor de meest geschikte hardware op het gebied van compute, networking
en storage.

 

Wat is
converged infrastructuur?

 

De
letterlijke vertaling van converged
infrastructuur (hierna CI) is een infrastructuur die samenkomt (convergeert) in
één punt. In het geval van CI wordt bedoeld dat compute, networking, storage in één unit geïntegreerd wordt, die
een minimale grootte heeft van een datacenter rack. Tevens wordt bedoeld dat er
oplossingen van meerdere leveranciers samen komen in één unit. Zo’n unit is
reeds af-fabriek geassembleerd en getest.

 

Een
andere kenmerk van CI is dat je end-to-end
support krijgt. Dit voorkomt vingerwijzen tussen de verschillende leveranciers.
Deze support houdt ook in dat de gehele unit gelijktijdig wordt voorzien van de
laatste software. De gehele unit wordt beheerd met één managementtool die kan
integreren met de managementsoftware van de hypervisor.

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat is hyper
converged infrastructuur?

 

Een
hyper converged infrastructuur
bestaat uit appliances waarin compute,
networking en storage zijn
ingebouwd in een unit ter grootte van enkele rackeenheden. HCI betekent in de
praktijk dat appliances worden
gebouwd waarbij commodity-hardware wordt gebruikt en waarbij (flash) storage,
networking en virtualisatietechnieken worden geïntegreerd. De appliance wordt
beheerd met een managementsoftware die kan integreren met de managementsoftware
van de hypervisor.

 

Wat is
composable infrastructuur?

 

De
essentie van dit nieuwe concept is dat IT-capaciteit binnen enkele seconden
automatisch kan worden bij- of afgeschakeld. De kern van een composable infrastructuur bestaat uit hyper converged hardware waar software
aan toegevoegd is. Omdat compute, storage of networking via software zijn
bij- of af te schalen is er sprake
van een Software Defined Infrastructure. Hardwarematig gezien
gebruikt composable dezelfde soort
appliances als hyper converged. Daar waar hyper converged bedoeld is voor één
toepassing, namelijk het draaien van een hypervisor, is composable bedoeld om
meerdere toepassingen tegelijk te draaien op dezelfde infrastructuur. Een
voorbeeld daarvan is het gelijktijdig kunnen draaien van een hypervisor en
softwarecontainers.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De fundamentele
verschillen

 

In
tegenstelling tot converged infrastructuur, wordt er bij hyper converged
infrastructuur geen gebruik gemaakt van een aparte fysieke Storage Array, maar
van de individuele disks in de appliances die samen met behulp van software tot
een virtuele Storage Array worden gevormd. Dit wordt ook wel Software Defined
Storage genoemd.

 

En
hoe verschilt composable dan weer van converged of hyper-converged? Composable
infrastructuur wordt door leveranciers gepositioneerd als het beste van alle
werelden. De gehele infrastructuur, dus compute,
networking en storage, kan
aangestuurd worden via een API. Deze
API is aanspreekbaar vanuit de

 

 

 

 

 

Misschien
wel meest onderbelichte verschil ontstaat wanneer je bij een keuze voor een (hyper)converged
benadering, ineens gebruik kunt gaan maken van “standaard” op elkaar afgestemde
en met elkaar geteste bouwblokken. Dit in tegenstelling tot een traditionele
benadering, waar je iedere keer opnieuw dezelfde ontwikkelings-
en testfase ingaat om alle verschillende onderdelen (compute, networking en
storage) op elkaar afgestemd te krijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

hypervisor
(of direct vanuit je bare metal OS)
en zorgt ervoor dat de resources zoals processoren, networking en storage als
hardware aanspreekbaar zijn om bijvoorbeeld legacy applicaties te laten
draaien.

 

Een API (Application Programming
Interface) is een ingang tot het systeem voor andere systemen. Als twee
systemen met elkaar moeten communiceren, gebruikt het systeem een API om het
andere systeem aan te spreken.

 

 

 

3.
De overwegingen

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe nu verder?

 

Investeren
in traditionele (verouderde) technologie is niet verstandig wanneer het gaat om
vervanging van de bestaande infrastructuur. Investeren in een van de nieuwe
infrastructuren is wel verstandig wanneer je gebruik wilt maken van moderne
technologieën op het gebied van databeschikbaarheid en schaalbaarheid. Maar hoe
kies je nu de juiste infrastructuur. Om de juiste keuze te kunnen maken moet je
de use cases (toepassingen) weten van
de verschillende infrastructuren.

 

1. Beschikbaar
houden van data

 

Als
er hoge eisen gesteld worden aan de beschikbaarheid van de data zoals zero (of near-zero) data loss, dan is het van belang dat datareplicatie over
meerdere locaties synchroon plaatsvindt. In een converged infrastructuur wordt
deze datareplicatie (en compressie en de-duplicatie) binnen het storage array
geregeld. Dat maakt een converged infrastructuur uitermate geschikt voor
bedrijfkritische (24×7) omgevingen.

 

Omdat
er bij hyper converged geen storage array is dat functies uitvoert zoals
replicatie, compressie en de-duplicatie, moeten deze functionaliteiten
softwarematig worden toegevoegd aan de hyper converged infrastructuur. Dit
betekent dus een extra investering en inspanning voor de beheerders. De
toevoeging van een extra software laag heeft ook invloed op de performance.

 

Hyper converged is gericht op het
beschikbaar houden van virtuele machines. Converged is daarentegen gericht op
het beschikbaar houden van alle data, op block level.

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Instappen en
uitbreiden

 

Als
je wilt starten met een ‘kleinere’ omgeving, zeg met enkele tientallen Virtuele
Machines, dan wil je zo klein mogelijk instappen en pas uitbreiden wanneer dat
nodig is. Dit doe je om de investering zo laag mogelijk te houden en de tijd
die nodig is om de infrastructuur in gebruik te nemen zo kort mogelijk te
houden.

 

 

Hyper
converged kenmerkt zich doordat je klein kan starten, namelijk met een cluster
van drie appliances en per appliance kan uitbreiden, het pay-as-you-grow model. Omdat uitbreiding per appliance gebeurt kun
je alleen uitbreiden met een vaste hoeveelheid storage en compute.

 

Als
er bijvoorbeeld meer behoefte is aan uitbreiding van storage dan compute dan
past een converged infrastructuur daar beter bij omdat compute, networking en
storage los van elkaar uitgebreid kunnen worden. Overigens zijn er inmiddels
leveranciers dit probleem oplossen door ook die hyper converged appliances te
leveren waarin alleen storage of compute zit.

 

 

3. Hypervisor

 

VMware
vSphere is het meest gebruikte hypervisor-platform en wordt op alle
infrastructuren ondersteunt. Maar als de huidige infrastructuur bijvoorbeeld gestandaardiseerd
is op Microsoft Hyper-V dan wil je dat de nieuwe infrastructuur ook Hyper-V
ondersteunt. Het is dus belangrijk te onderzoeken welke hypervisor en welke
versies van de hypervisor ondersteund worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4.
Schaalbaarheid

 

Als
(tijdelijk) extra capaciteit nodig is, dan wil je dat het platform daarin
voorziet: je wilt kunnen op- en afschalen. Converged en hyper converged
verschillen in de manier waarop er op- en afgeschaald kan worden.

 

Schaalbaarheid ~ Het vermogen van een
systeem, een netwerk of een proces om een groeiende werklast efficiënt te
kunnen verwerken of het vermogen om uit te breiden.

 

 

Converged
infrastructuren zijn uitermate geschikt om verticaal te schalen. Verticaal
schalen houdt in dat je een virtuele machine kunt voorzien van meer processoren
of meer geheugen. Hyper converged daarentegen is meer geschikt om horizontaal
te schalen. Horizontaal schalen betekent dat je meer van dezelfde virtuele
machines uitrolt waarbij de capaciteit per virtuele machine gelijk blijft. De
totale werklast (workload) wordt bij
horizontaal schalen verdeeld over meerdere virtuele machines.

 

Workload ~ De hoeveelheid werk die
uitgevoerd moet worden binnen een bepaalde periode. In dit geval wordt bedoeld
de capaciteit die de applicatie nodig heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De
manier waarop je kunt schalen wordt enkel bepaald door de applicatie zelf.
Zogenaamde cloud-native applicaties
kunnen uitermate goed horizontaal schalen. Traditionele applicaties kunnen dat
meestal niet en zullen daarom verticaal geschaald moeten worden. Verticaal
schalen heeft ook zo zijn beperkingen omdat niet alle applicaties de extra
resources zoals processoren en geheugen kunnen benutten.

 

Omdat
hyper converged ontworpen is om horizontaal te schalen is het minder geschikt
voor monolithische applicaties of de zogenaamde Monster VM’s. Een belangrijk kenmerk is dat hyper-converged zo goed
als lineair schaalt zodra er een appliance bijgeplaatst wordt.

 

De
belangrijkste verschillen zijn nu bekend. Maar hoe kies je nu de infrastructuur
die het beste past bij jouw use case.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. Hoe kies je?

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoals
in het vorige hoofdstuk al duidelijk is geworden wordt de keuze voor een
datacenterinfrastructuur voornamelijk bepaald door de workload die je erop wilt laten landen, de hypervisor die
ondersteund moet worden, hoe je beschikbaarheid van de data op het gewenste
niveau kunt realiseren en de mogelijkheden op het gebied van schaalbaarheid.

 

Bepaal de
workload

 

De
eerste stap is het bepalen van de workload. Dit doe je door het applicatielandschap
te inventariseren en de applicaties te categoriseren per applicatietype. Bij
het inventariseren van het applicatielandschap herkennen wij grofweg acht
applicatietypes, namelijk:

 

Cloud
native applicaties E-business hosting

 

Generieke
bedrijfsapplicaties Enterprise applicaties

 

Ontwikkelomgeving
Batchcomputing

 

Monster
VM’s

 

Virtuele
Desktop Infrastructure

 

 

 

 

 

 

 

 

De
kans is zeer groot dat er meerdere applicatietypes aanwezig zijn. In dat geval
wordt meestal het meest dominante applicatietype gebruikt om een keuze te
maken.

 

In
onderstaand overzicht (figuur 4) zijn de applicatietypes geplaatst bij de
verschillende infrastructuren. Op basis van onze ervaring weten we dat voor
sommige applicatietypes er eigenlijk maar één keuze is, terwijl er voor andere
applicatietypes meerdere keuzes zijn.

 

In
de overweging van het type infrastructuur wordt dus met name gekeken naar de
workload die erop komt te draaien. Nu je weet welke workload het beste past bij
een bepaalde infrastructuur kun je de andere zaken zoals de mogelijkheden van
schaalbaarheid en het type hypervisor mee gaan nemen in de keuze. Het laatste
hoofdstuk geeft daarbij nog enkele uitdagingen die van belang kunnen zijn bij
het maken van de uiteindelijke keuze voor een nieuwe datacenterinfrastructuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. Uitdagingen

 

 

 

 

 

 

 

 

De
markt van converged en hyper converged oplossingen is volwassen en zeker de
converged infrastructuren hebben hun betrouwbaarheid en performance laten zien.
Maar welke uitdagingen zijn er bij het maken van de keuze voor de
infrastructuur?

 

Verschillende
workloads

 

Zoals
eerder aangegeven bepaalt met name de workload de keuze voor de infrastructuur.
Maar wat als het niet eenduidig is welke workload er is? En wat kies je als er
verschillende workloads zijn? In onze ervaring is het dan zinvol om op basis
van de meeste dominante workload de keuze te maken.

 

Organisatie
volwassenheid

 

Het
werken met converged, hyper-converged en composable infrastructuren vraagt een
hoger kennisniveau van de IT-organisatie dan wat nodig is bij traditionele
infrastructuren. Naast kennis op het gebied van compute, networking en storage,
zal er ook kennis nodig zijn voor zaken zoals back-up, High Availability en
Disaster Recovery. Aan de andere kant biedt het werken met deze nieuwe
infrastructuren de kans om met cloud technologieën te leren werken in de eigen
private omgeving.

 

Legacy en
fysieke servers

 

Als
er nog specifieke applicaties zijn zoals legacy applicaties of het
licentiemodel van een applicatie vereist een dedicated server dan kies je voor een converged of composable
infrastructuur. Op deze infrastructuren kun je zowel een hypervisor draaien en
tegelijkertijd een of meerdere servers exclusief gebruiken voor het
ondersteunen van die specifieke applicaties.

 

Containertechnologie

 

Wordt
er in de al organisatie gekeken naar, of gewerkt met containertechnologie? Een
composable infrastructuur die via API’s aangesproken kan worden is uitermate
geschikt voor cloud native technologieën zoals applicatie-containers.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ervaring op
doen

 

Een
voordeel van converged versus hyper-converged is dat er veel converged kennis
en ervaring in de markt verkrijgbaar is. Hyper-converged vergt minimaal een proof-of-concept om vast te stellen of
de specifieke workload inderdaad zo
goed presteert zoals verwacht wordt. Deze mogelijkheid wordt door de
leveranciers vaak aangeboden. Bij converged infrastructuur is deze stap volgens
ons niet meer nodig.

 

Eén
managementtool

 

Wil
je de gehele infrastructuur kunnen monitoren en beheren met één managementtool?
Dit wordt ook wel een Single pane of
glass genoemd. Voor zowel converged als hyper converged infrastructuren is
deze managementsoftware beschikbaar. De ene fabrikant levert hiervoor zijn
eigen managementtool, en andere fabrikanten leveren plug-ins om te integreren met de managementsoftware van de hardware
en/of de hypervisor. Het verschil is dat bij converged het beheer meer op het
hardware niveau plaatsvindt en bij hyper converged beheer je de infrastructuur
meer op het niveau van virtuele machines.

 

Virtual Desktop
Infrastructure (VDI)

 

Bij
VDI is er sprake van desktopvirtualisatie in het datacenter. Het imagebestand
van een virtuele desktop draait hierbij niet op een lokale computer, maar op de
server. Per desktop wordt er een imagebestand gebruikt, bij een toename van het
aantal desktops neemt de vraag naar capaciteit en performance evenredig toe.

 

Door
de manier waarop hyper converged schaalt, namelijk door het toevoegen van compute, networking en storage,
neemt de capaciteit en performance steeds (bijna lineair) toe zodra er een
appliance wordt toegevoegd. Je hebt dus geen last van zaken zoals een storage
array dat te weinig performance levert omdat er meer compute dan storage was
toegevoegd. Dit maakt hyper converged uitermate geschikt voor VDI-omgevingen.

x

Hi!
I'm Erica!

Would you like to get a custom essay? How about receiving a customized one?

Check it out